Editie Maand 06 | 2018 6
Home > Editie 6 > Ronald Visschers: ‘Betrek experts bij de herformulering van je producten’
Later lezen of doorsturen

Voedselproducenten in Nederland moeten hun producten minder zout, zoet en vet maken. Flink minder, nodig om Nederlanders gezonder te krijgen. Dat ‘moeten’ is overigens niet door de wet bepaald, maar door henzelf. De producenten hebben dat in een overkoepelend Akkoord met elkaar afgesproken. Wat is de stand van zaken? Wat moet er nog gebeuren? Een gesprek met Ronald Visschers.

Ronald Visschers, sinds augustus 2017 directeur bij Top Institute Food & Nutrition (TiFN)), maakt deel uit van de Commissie Criteria Productverbetering. Deze Commissie adviseert de minister hoe een nieuw, integraal, systeem voor productverbetering opgezet kan worden. De aanleiding daarvoor is dat er, nu het ‘Vinkje’ niet meer op verpakkingen vermeld mag worden, geen stimulans meer bestaat voor producenten om ‘best in class’ te worden. Visschers is bovendien voorzitter van de onafhankelijke Wetenschappelijke Adviescommissie voor Productverbetering (WAC). De WAC toetst de afspraken uit het in 2014 gesloten ‘Akkoord Verbetering Productsamenstelling’ op ambitieniveau en relevantie, en adviseert de partijen die het akkoord hebben ondertekend (het ministerie van VWS, Centraal Bureau Levensmiddelenhandel, Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie, Koninklijke Horeca Nederland en Vereniging Nederlandse Cateringorganisaties).  

De ambities zijn groot. Tijdens de Voedseltop vorig jaar werd gesteld dat Nederland over 5 tot 10 jaar koploper zou moeten zijn in veilige, gezonde en duurzame voeding en duurzame land- en tuinbouw. Het verminderen van de gehaltes zout, verzadigd vet en calorieën (suiker en vet) in producten is één van de doelen om die ambitie te verwezenlijken. 

Hoe gaat het eigenlijk met de verbetering van de productsamenstelling? 

“Sommige branches doen het heel goed, andere hebben nog weinig bereikt. Om de doelstellingen in 2020 te bereiken, moet de ambitie verder omhoog. De afspraken die gemaakt zijn, zijn stappen in de goede richting, maar er zit nog steeds te veel suiker en zout in voeding. Wat mij verbaast is dat iedereen het erover eens is: er is een probleem; ons voedsel is te zout, we worden te dik. We weten dat gezond eten belangrijk is voor de volksgezondheid. Laten we daarom met z’n allen eens doorpakken!” 

Hoe moeten ‘we’ dat doen? 

“Het zou helpen als de overkoepelende organisaties gezamenlijk meer initiatief zouden nemen. Een mooi voorbeeld van een goed initiatief is het pilotproject van FNLI, dat onlangs is afgerond. Producenten konden via de FNLI experts inschakelen die hen intern kwamen ondersteunen bij het herformuleren. De expert kwam langs voor een intake en gaf advies voor productverbetering op basis van zijn bevindingen. Na drie maanden was er een evaluatie. Het project is enthousiast ontvangen, door zowel de kennisinstituten die de experts leverden, als door de producenten. Ik ben benieuwd of dit een vervolg krijgt. Dat zou een goede zaak zijn.” 

Waar lopen producenten naar jouw idee vooral tegenaan? 

“Dat ze niet genoeg kennis in huis hebben. Herformuleren is vaak een technisch probleem, zeker als het om grotere stappen gaat. Grote bedrijven hebben hierin een voorsprong, zij hebben grote R&D-afdelingen en gepatenteerde technologieën. Voor kleinere bedrijven is het moeilijk om mee te komen. De kennis die er is, is bovendien gefragmenteerd. Technologische vraagstukken oplossen gaat goed als je ofwel heel groot bent, óf als je gaat samenwerken. Helaas komt samenwerken nog te weinig van de grond.

Wat mij ook opvalt, is dat de werkplannen beknopt zijn en er niet wordt omschreven waar knelpunten worden verwacht. Vaak wordt wel aangegeven hoe lang een traject moet gaan duren, maar onduidelijk blijft wat er in die tijd gaat gebeuren, welke technische stappen ze gaan nemen. Wanneer de plannen beter worden uitgewerkt, kunnen we er als commissie ook meer mee. En, belangrijker, zal de kans op succes groter worden!”

Wat is jouw advies aan de industrie?  

“Betrek experts bij herformulering van je producten; doe dit vanaf het begin van het projectvoorstel. Ook als het niet via een pilotproject loopt. De experts hebben kennis en ervaring. Bovendien kijken ze als onafhankelijk buitenstaander met een frisse blik naar de processen; ze zien dingen waar je als producent zelf blind voor bent geworden. Kennisinstellingen kunnen fabrikanten bij de productverbetering helpen, maar helaas hikken producenten vooral aan tegen de kosten.”

Jij zat ook in de Commissie Criteria Productverbetering onder leiding van het RIVM. Wat was de opdracht van deze commissie? 

“We hebben ons afgelopen jaar gebogen over de vraag hoe een integraal systeem van productverbetering opgezet kan worden, ter vervanging van het Vinkje. Na 19 oktober mogen verpakkingen met het Vinkje immers niet meer geproduceerd worden. De onafhankelijke wetenschappelijke criteria van het Vinkje werden door bedrijven gezien als een belangrijke stimulans voor innovatie. Zo’n stimulans om ‘best in class’ te worden, is er nu niet meer. Zeker als we de eerder gestelde ambities willen halen, moet zo’n systeem er wel weer komen. 

____________

“Laten we met z’n allen eens doorpakken!”

____________

We hebben onderzocht of de criteria van het Vinkje gekoppeld kunnen worden aan de maximumnormen voor zout, verzadigd vet en suiker. Het gaat dan om de normen die binnen het Akkoord Productverbetering zijn afgesproken voor een groot aantal productcategorieën. Daarnaast zijn er ook criteria voor nutriënten voor producten in de Schijf van Vijf. We hebben de samenhang tussen de criteria van het Vinkje, het Akkoord en de Schijf van Vijf in beeld gebracht en de kansen voor een integraal systeem geïdentificeerd.” 

En… kunnen de systemen op elkaar afgestemd worden? 

“Dat blijkt heel lastig. Op dit moment kan dat niet, er is te weinig connectie tussen de systemen. Ik vond het verrassend dat er zulke grote verschillen bestaan tussen de criteria die WECOM voor het Vinkje had, de criteria voor de Schijf van Vijf en de ambities uit het Akkoord Productverbetering. We moeten dat veel meer harmoniseren. Tegelijkertijd weten we dat de invloed van zo’n systeem beperkt is. Er is nog altijd een heilig geloof in het idee: ‘als we maar genoeg kennis in de mensen stoppen, gaan ze vanzelf zinnige beslissingen nemen’. Zo is het niet. Er is geen onbetwist vertrouwen meer in de autoriteit van kennisdragers als de dokter of wetenschapper. Het blijft daarom van belang om een mix van instrumenten in te zetten om consumenten te verleiden tot gezondere voedingskeuzes. Verbetering van de productsamenstelling is er daar slechts één van. Om mensen gezonder te maken, moet er een veel bredere maatschappelijke aanpak komen, waarbij burgers en maatschappelijke organisaties op steeds meer aspecten betrokken worden.” 

Hoe doen ze dit in het buitenland? Kunnen we daarvan leren?

“Daar hebben we inderdaad ook naar gekeken. De aanpakken verschillen erg per land. Cultuur speelt bovendien een grote rol of een maatregel al dan niet werkt. We weten wel dat een set met criteria voor productverbetering alléén niet voldoende is. Het gaat om een samenspel van meerdere factoren. Belangrijke pijlers daarbij zijn een sterke regie vanuit de overheid, goede samenwerking met de industrie en maatschappelijke organisaties, en ambitieuze maar haalbare criteria per productgroep, die bovendien tussentijds worden aangescherpt. Nu al zien we dat de industrie zichzelf in bepaalde gevallen veel strengere normen oplegt dan vanuit de overheid is bepaald. Ze zijn vele malen ambitieuzer dan in de criteria voor het Vinkje geformuleerd stond. Zoals de groenteconserven; die branche heeft enorme slagen gemaakt in zout- en suikerverlaging.” 

Hoe zit het eigenlijk met jóuw passie en ambities? Je bent nu bijna een jaar directeur bij TiFN (een publiek-private samenwerking voor strategisch langetermijnonderzoek voor bevordering van gezond en duurzaam voedsel). Wat wil jij binnen nu en vijf jaar bereiken? 

“Ik hou van het grensvlak van onderzoek, wetenschap, toepasbaarheid en wetenschappelijk excellentie, vooral als het gaat om de relatie tussen ingrediënten en het effect op de gezondheid. Zeker de helft van de projecten die we bij TiFN doen, passen in dit thema. Ook consumentenonderzoek boeit me enorm. Bij het World Food Center in Ede gaan we proberen antwoorden te vinden op de vraag wat in de moderne context nog wél effectief is om mensen gezonde keuzes te laten maken.” 

“Waar ik verder heel enthousiast van wordt, is dat we onlangs het ‘Sustainable Food Initiative’ (SFI: www.sustainablefoodinitiative.eu) hebben opgericht. Dit initiatief is ontstaan vanuit het bedrijfsleven. We bundelen kennis en resultaten van academisch onderzoek met innovaties en technologische vernieuwing in het bedrijfsleven. Dat doen we samen met allerlei partijen, grote bedrijven zoals Unilever en Kraft-Heinz, maar ook Wageningen Campus, andere universiteiten, studenten, start-ups en coöperaties zoals AVEBE en Cosun. Een open mind-set en creatief leren vormen de basis voor onze benadering. We staan voor zoveel uitdagingen: clean label, internet of food, Regenerative Farming, eiwittransitie, noem maar op. We bieden veel ruimte voor het uitproberen van compleet nieuwe mogelijkheden en technieken.” 

En jij wil, met TiFN, graag deze regie-taak op je nemen?

“Ja! Op alle niveaus is behoefte aan meer regie met, tegelijkertijd, minder administratie. Elke provincie heeft zijn eigen kenniscampus Food. Het onderzoek en de toepassingen daarvan raken daardoor erg gefragmenteerd. Wij hebben met SFI de ambitie om op landelijk niveau een aantal deelgebieden bij elkaar te gaan brengen, waaronder in eiwittransitie en duurzame voedselproductie. We hanteren een ‘founding fathers-principe’, maar iedereen die wil, kan aanhaken in de projecten.” 

www.tifn.nl

This interview is also available in English

Bronvermeldingen: Beeld eten: ©Maryna Pleshkun/Shutterstock.com
Door content bladeren