Trends en ontwikkelingen: De circulaire economie

  • 11 February 2019
  • Door: Judith Witte

Wat eten we in 2050? Kan de productie van ons voedsel duurzamer? Wie gaat de transitie naar een circulaire economie betalen? Ligt de verantwoordelijkheid bij de overheid, het bedrijfsleven of de consument? De politiek buitelt over elkaar heen. Wie heeft het antwoord?

Sinds de Klimaattop in Polen waaiert de discussie over de klimaatverandering alle kanten op. Niemand ontspringt de dans. Mag je wel of helemaal geen vlees meer eten? Wel of niet het vliegtuig instappen, je dagelijks douchen, de openhaard aan- en vuurwerk afsteken, wel of geen huisdieren bezitten? Op alles wordt een CO2 stempel geplakt.

En daar ontstaat een bron van discussie. Want niemand weet hoe die footprint precies berekend moet worden. Welke aspecten neem je mee en welke niet? Hoe weeg je de verschillende onderdelen in de totale som? Er is geen absolute wereldwijd erkende standaard, waardoor producten en diensten met elkaar vergelijken onmogelijk is. Het is onduidelijk wat precies de kosten en de baten zijn. Toch impliceren de ‘harde cijfers’ waarmee bedrijven, instanties en politieke partijen het stijdtoneel betreden, een objectief beeld.

‘Cijfers liegen niet’… of toch wel?

Ter illustratie: Stichting Agri Facts (STAF) was boos op het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), omdat ze ‘buitengewoon slordig’ rapporteerden over de impact van het eten van vlees op het klimaat. STAF zei dat naar aanleiding van berichtgeving door PBL over ‘forse klimaatwinst’ die halvering van de vleesconsumptie zou opleveren. Aanvankelijk werd de klimaatwinst door het PBL begroot op 25 tot 40 procent minder broeikasgassen. STAF verzocht daarop het PBL zijn foutieve berichtgeving te corrigeren. Dat deed het PBL, maar noemde nog altijd niet het werkelijke klimaatvoordeel van het eten van minder vlees. De werkelijke cijfers waren volgens STAF relatief gemakkelijk af te leiden uit het internationale wetenschappelijke onderzoek waarop het PBL zich zei te baseren, namelijk 2 tot 4 procent minder broeikasgassen, afhankelijk van wat men laat staan: kip, varkensvlees of rundvlees. STAF maakt zich vooral zorgen omdat het PBL binnen de opstelling en uitwerking van het Klimaatakkoord de rollen vervult van zowel leverancier van kennis, als die van rekenmeester voor de Rijksoverheid: “Daarbij hoort een transparante en correcte voorstelling van zaken”.

De overheid

Wel heel helder zijn de harde doelstellingen van de overheid voor CO2 uitstootreductie. Nederland wil in 2050 een volledig circulaire economie zijn; een economie zonder afval. Het kabinet trekt dit jaar 22,5 miljoen euro extra uit voor het steunen van duurzame en circulaire initiatieven. Met het ontwerp-Klimaatakkoord ligt er volgens het kabinet ‘een omvangrijk samenhangend pakket waarmee Nederland in 2030 de uitstoot van CO2 met ten minste 49 procent kan terugdringen’. De weg daarnaartoe is helaas nog mistig. Na maanden onderhandelen, werd eind december het Klimaatakkoord gepresenteerd.  Dit akkoord moet een belangrijke mijlpaal zijn op de weg naar een nieuw Nederlands klimaatbeleid, dat zich richt op het halveren van de CO2-uitstoot in 2030. Maar het is nog niet definitief. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB) rekenen de plannen nog door. “Bij alle maatregelen is het uitgangspunt dat de transitie voor iedereen haalbaar en betaalbaar blijft,” aldus voorzitter van het Klimaatbeleid Ed Nijpels. Dit verdelingsvraagstuk noemt hij ‘bij uitstek een politieke kwestie’: “Er zijn heldere en rechtvaardige keuzes nodig in de verdeling van lusten en lasten”. En daar zit een belangrijk pijnpunt: het draagvlak onder het Klimaatakkoord blijkt breder te zijn dan de vraag wie de rekening betaalt.

Industrietafel

De Federatie voor de Nederlandse Levensmiddelenindustrie FNLI  heeft meegeschreven aan de teksten van de Industrietafel en de tafel Landbouw en Landgebruik. Zij legt het Klimaatakkoord de komende tijd voor aan de FNLI-leden en -achterban voor akkoord. FNLI geeft in een reactie aan dat energiebesparing prioriteit heeft voor de levensmiddelenindustrie. “Middels meerjarenafspraken wordt al jarenlang, en met succes, ingezet op energiebesparing. De levensmiddelenindustrie zal de komende jaren fors blijven investeren in de klimaatdoelstellingen. Het zal het een uitdagend karwei worden om deze ambities in te vullen, waarbij elektrificatie van processen en voldoende aanbod van betaalbare groene stroom essentieel is.”

Niet ambitieus genoeg

Hoe groot is de kans dat dit Klimaatakkoord door alle partijen ondertekend wordt? Twee coalitiepartijen dreigden half januari al het kabinet te laten vallen als het klimaatbeleid niet wordt uitgevoerd zoals zij dat willen. Greenpeace, Milieudefensie, Natuur & Milieu, MVO Nederland en FNV zeggen dat zij zich er niet achter kunnen scharen. “Wij schoven begin 2018 aan om tot een ambitieus en eerlijk akkoord te komen. Na bijna een jaar onderhandelen blijkt het resultaat dik onvoldoende. De grote vervuilers ontspringen qua kosten weer de dans. Zonder een eerlijke verdeling van lusten en lasten is het akkoord op voorhand vleugellam.” Ze zijn vooral teleurgesteld over de tekst voor de Industrietafel. “Daarin wordt niet waterdicht geregeld dat de industrie doet wat ze belooft: 19,4 Mton CO2 besparen. Voor een toekomstbestendig akkoord moet het kabinet nu kiezen voor structurele oplossingen. Als de fundamentele punten niet worden opgelost, zetten we geen handtekening onder het uiteindelijke akkoord.” De bal ligt nu bij het kabinet; een kabinet dat nogal verdeeld is.

Consumenten

Er wordt stevig gebakkeleid over de ‘lusten en de lasten’. Wie betaalt de rekening? De overheid subsidieert. Ze legt de kaders en richtlijnen vast, die de één te streng noemt, de ander niet ambitieus genoeg vindt. Maar uiteindelijk is het de burger, de consument, die direct of indirect in de buidel moet tasten.

In het marktonderzoek Dossier Duurzaam 2018 concluderen GfK en b-open dat ‘De bereidheid van consumenten extra te willen betalen voor duurzame producten stijgt.’ Bijna de helft van de respondenten (46%) gaf aan dat ze duurzame of maatschappelijk verantwoordelijke aspecten belangrijk vinden bij de aanschaf van producten en diensten. Voor energie, witgoed en verschillende foodcategorieën bedraagt het zelfs meer dan 60%. “Mensen willen consumeren zonder schuldgevoel. Ook de toegenomen kwaliteit van duurzame producten speelt een rol”, aldus Annemarie Perquin van GfK. Tegelijkertijd is echter het wantrouwen ten aanzien van duurzaamheidsclaims gestegen: van 39% in 2017 naar 43% in 2018. “De consument is kritischer geworden. Loze beloftes worden niet meer geaccepteerd.”

Dat het duurzaamheidsbesef onder burgers lijkt toe te nemen, blijkt ook uit cijfers van de Monitor Keurmerken Retail uitgevoerd door onderzoeksbureau IRI: de verkoop in supermarkten van voeding met een onafhankelijk gecontroleerd keurmerk voor duurzaamheid, is vorig jaar opnieuw gestegen. Met een groei van 20% voegen de keurmerken volgens IRI ruim 300 miljoen euro éxtra toe aan de supermarktomzet in het eerste half jaar van 2018. Vergeleken met de reguliere supermarktgroei van 2,6% in dezelfde periode, winnen producten met een keurmerk duidelijk aandeel. De aandelen van producten met een keurmerk zijn met name groot voor vis, vlees en koffie en thee. IRI verwacht dat de groei in 2019 verder een vlucht zal nemen.

Maar er zijn ook andere berichten. Uit een onderzoek van Elbuco onder 1.080 consumenten, blijkt dat consumenten helemaal niet zo duurzaam ingesteld zijn. Wanneer het gaat om de bezorging van bestelde producten, verkiest meer dan de helft van de ondervraagden snelheid duidelijk boven duurzaamheid. Bijna tweederde zegt bovendien niet bereid te zijn méér te betalen voor duurzamere, energie-neutrale, leveringen. Nu de prijzen door de btw-verhoging sowieso 3 procent zijn gestegen, is het maar de vraag of de consument in de praktijk meer wil betalen.

Voedselverspilling

Toch zien veel producenten en retailers duurzaamheid inmiddels als een strategie om meerwaarde te creëren voor hun merk of formule. Ze hebben behoefte aan kennis en praktische inzichten op het gebied van voedselkeuzegedrag van consumenten. Om te kunnen bijdragen aan een gezonder en duurzamer aankoop- en eetpatroon, hebben Wageningen Economic Research, het Louis Bolk Instituut en Greendish samen een publiek-private samenwerking (PPS) opgezet: Food Value Impact (FVI). Doel is om de milieu-impact en/of voedselverspilling te verlagen en tegelijkertijd de gezondheid en tevredenheid van gasten positief te beïnvloeden. Een van de conclusies uit een eerste  studie is dat ‘consumenten gemakkelijk voor duurzamer eten met minder vlees kiezen als die keuzes slim en aantrekkelijk gepresenteerd worden’. Om voedselverspilling aan te pakken, zijn er inmiddels talloze initiatieven: denk aan apps als ‘togoodtogo’ en NoFoodWasted en de WhatsApp Kitchen Assistant van het Voedingscentrum. Ook is recent de stichting ‘Samen Tegen Voedselverspilling’ opgericht. De stichting bestaat uit een steeds groter wordende groep van multinationals, mkb’ers en start-ups. Ze worden ondersteund door de Wageningen Food & Biobased Research, Food Tech Brainport, de Verspillingsfabriek in Veghel en de Rabobank.

Aanbevelingen

Het is wel duidelijk: wereldwijd staan de zorg om het klimaat, de energievoorziening en een duurzamere voedselproductie hoog op de agenda. Er zijn grote structurele veranderingen nodig om tot een circulaire economie te komen. Maar circulaire ideeën blijken lastig in de praktijk te brengen. Zeker zolang vervuilen en verspillen vaak goedkoper is dan circulair produceren. Er wordt gediscussieerd, gewikt en gewogen, afgewacht en naar de concurrentie gekeken. Maar waar het op neerkomt, is dit: begin gewoon. Ergens. Met iets. Samen.

Alle beetjes helpen.

Beeld
Hand met groene achtergrond: ©POPTIKA/SHUTTERSTOCK.COM
Supermarkt: ©GORODENKOFF/SHUTTERSTOCK.COM
Hand grijze achtergrond: ©ROMOLO TAVANI/SHUTTERSTOCK.COM

Bron: © Vakblad Voedingsindustrie 2019